‘Zijn we bang dat we bomen met meer respect moeten behandelen als we ontdekken hoezeer ze op dieren lijken?’

Boswachter in de Eifel Peter Wohlleben (1964) ontdekte dat bomen sociale wezens zijn en soortgenoten helpen, bijvoorbeeld door elkaar via de wortels suikers toe te spelen en elkaar te waarschuwen voor gevaren. Wohlleben noemt het ‘vriendschappen’. Een bos heeft er belang bij om zwakkere leden actief te ondersteunen: bomen zijn zo sterk als het bos om hen heen. ‘Samen vormen bomen een ecosysteem dat extreme warmte en kou matigt, veel water opslaat en heel vochtige lucht veroorzaakt. In een dergelijke omgeving kunnen bomen beschut leven en heel oud worden.’ De natuurlijke behoeften van bomen zijn dat ze hun sociale behoeften kunnen ontplooien, groeien in een echt bosklimaat met intacte bodems en hun kennis aan de volgende generaties doorgeven. Stadsbomen daarentegen moeten het doen met een fractie van de verankering en zonder steun van soortgenoten en van andere soorten, zoals micro-organismen die humus afbreken, zodat de boom het kan opnemen.

Wood-wide-web

We weten van bomen en bossen maar weinig. Bomen leren, maar het is niet duidelijk waar ze hun kennis opslaan, misschien in hersenachtige structuren in de wortelpunten. Dezelfde soort, zelfde plek of omstandigheden, ander gedrag: bomen hebben individuele eigenschappen (voorzichtige bomen hebben betere overlevingskansen, schrijft Wohlleben: een kwestie van karakter). De bodem van oceanen is slechter onderzocht dan het oppervlak van de maan maar naar bodemleven is nóg minder onderzoek gedaan. ‘In een handjevol bosaarde zitten meer levende wezens dan er mensen zijn op aarde. () Al die wezens zijn van invloed op de bodem, vormen die en maken die zo waardevol voor bomen.’ Ze zijn het plankton van de bodem: de kleine beestjes die het begin zijn van de voedselketen.

We weten dat bomen communiceren: ze zetten soortgenoten er met waarschuwingsgassen toe afweerstoffen te maken voor bladeters en gebruiken daarnaast chemische en electrische signalen (en volgens sommigen zelfs akoestische signalen). Bomen kunnen schadelijke insecten herkennen aan hun speeksel en kunnen specifieke lokstoffen maken om hulp in te roepen van predatoren. Verreweg het snelst zijn boodschappen via schimmels, als de glasvezelleidingen van het internet, ook wel het ‘wood-wide-web’ genoemd. ‘Een theelepeltje bosgrond bevat een paar kilometer van die ‘zwamdraden.’ Eén schimmel kan zich in de loop van eeuwen over een paar vierkante kilometer uitbreiden en zelfs hele bossen verbinden. Het vermogen om te communiceren zijn onze cultuurplanten kwijtgeraakt: ‘Ze zijn zo goed als doof en stom en vormen daardoor een gemakkelijke prooi voor insecten. Dat is een van de redenen waarom de moderne landbouw zoveel gif moet spuiten.’

Bossen oud laten worden

Dat we ons moeilijk in bomen kunnen inleven komt vooral doordat ze enorm langzaam zijn. En we kijken slecht: we zien in oerbossen de soortenrijkdom niet in de microkosmos. Wat echt oud is zijn we uit het oog verloren: moderne bosbouw hanteert een maximum leeftijd van 80 tot 120 jaar, maar een normale leeftijd van beuken en eiken is 400 tot 500 jaar. Oud betekent voor een boom, anders dan voor de mens: sterk en krachtig. Bossen verjongen en daardoor vitaler willen maken, het klopt niet: ‘Willen we bossen gebruiken in de strijd tegen de klimaatverandering, dan moeten we die oud laten worden, exact wat de grote natuurbeschermings­organisaties vragen.’

Overal worden bomen gesnoeid: ‘eigenlijk is het een bloedbad’. Wordt de kroon gesnoeid, dan krijgen de wortels een flinke klap: omdat ze qua omvang zijn aangepast aan de bovengrondse organen verhongert een groot deel van de ondergrondse organen en daarin dringen schimmels binnen. Na tientallen jaren verzwakt de boom, reden voor de beheerder om voor de veiligheid verder te zagen en daarmee nieuwe wonden te maken. Eventuele zorgzaam aangebrachte wondafdekmiddelen zijn een ideale broedplaats voor schimmels en rot. Het zet ons op het verkeerde been: een gehavende boom bloeit vaak, maar dat betekent dat hij zich nog wil voortplanten voordat hij sterft.

De volheid van het bestaan

Intussen weten we dat dieren in veel opzichten hetzelfde voelen als wij mensen. De grenzen tussen planten en dieren zijn volgens Wohlleben wille­keurig, opgehangen als ze worden aan de manier waarop beide aan voedingsstoffen komen (fotosynthese versus levende wezens eten). ‘Grote verschillen zijn er tenslotte alleen nog in het tijdsbestek waarin informatie wordt verwerkt en in handelingen wordt omgezet.’ Wohlleben denkt wel eens ‘dat we bang zijn dat we bomen en ander groen met meer respect zouden moeten behandelen als onomstotelijk zou worden vastgesteld hoezeer ze in veel opzichten op dieren lijken.’ In een vraaggesprek zei de veelgevraagde boswachter: ‘Ik ben ervan overtuigd dat we over tien, twintig jaar net zo over bomen praten als we nu al over dieren en dierenwelzijn praten.’

Heb meer vertrouwen in de wilde natuur! zegt Wohlleben. Springbalsemien, Japanse duizendknoop: zodra de mens zo’n probleem aan de bomen overlaat, wordt het opgelost. Het merendeel van de bomen in zijn bos in Hümmel (D) zou tegen de verwachte Spaanse klimaatomstandigheden kunnen, als het bos niet door houtkap in zijn sociale structuur wordt gestoord en zijn microklimaat zelf kan blijven regelen. Maar we halen meer uit het ecosysteem bos dan we nodig hebben en brengen bomen, vergelijkbaar met diergebruik, onnodig leed toe. Wohlleben juicht het neerhalen van de morele grenzen tussen dieren en planten toe. ‘Als we weten wat planten allemaal kunnen en we erkend hebben dat ze een gevoelsleven en bepaalde behoeften hebben, dan moet ook onze omgang met planten stap voor stap veranderen.’ Hij noemt het ‘de volheid van het bestaan: tienduizenden soorten die met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk zijn.’

Peter Wohlleben: Het verborgen leven van bomen. (Das geheime Leben der Bäume, vertaling Bonella van Beusekom) Amsterdam 2016

Geef een reactie