Een zaterdag in Londen

In 2003 wacht Londen op de aanslag, die een half jaar na publicatie van deze roman in 2005 ook werkelijk kwam. Het boek van de Britse schrijver Ian McEwan (1948), Saturday, begint met een vliegtuig dat lijkt neer te storten, mogelijk door een aanslag, in de vroegte door Henry Perowne, de hoofpersoon, vanuit zijn raam gadegeslagen. Het geweld komt toch, die dag, tegen de achtergrond van de grote vredesdemonstratie tegen de oorlog tegen Irak die nog maar een maand weg was.

‘Any later in the season will be too hot for killing or liberation. Baghdad is waiting for its bombs,’ beseft Henry. Net als Londen: ‘London () lies wide open, impossible to defend, waiting for its bomb, like a hundred other cities. Rush hour will be a convenient time. It might resemble the Paddington crash. () The authorities agree, an attacks’s inevitable.’ Filosoof Hans Achterhuis vindt dit boek de meest aan­sprekende roman over de wereld na de aanslagen van 11 september 2001 (Met alle geweld, Rotterdam 2008).

Vernedering

Ian McEwan volgde een bevriende neurochirurg twee jaar lang om zijn hoofdpersoon in de beroepsuitoefening heel precies neer te zetten. Henry Perowne, vader in een welhaast perfect gezin, gebruikt (of misbruikt) zijn medische kennis om, door de demonstratie van zijn normale route gebracht, na een aanrijding te ontsnappen aan direct geweld, maar de vernedering die hij zijn belager daarmee aandoet keert zich later op de dag tegen hem en zijn gezin. De lezer ziet dat al die tijd aankomen maar blijft hopen dat het niet komt. Komt het door de maatschappij, dat deze kansloze persoon geweld gebruikt? Is het onder omstandigheden rationeel gedrag? Perowne weet precies waar het defect in de hersenen gelokaliseerd is dat de agressor weerloos maakt voor zijn impulsen.

Hij ziet onder de terroristische dreiging de macht van de overheid toenemen, is bereid aan te nemen dat de wereld onherroepelijk veranderd is, vibreert mee met Breaking News en nieuwsanalyses en heeft het gevoel dat hij niet meer onafhankelijk kan denken. Inmiddels praat hij met zijn Amerikaanse anesthesist en met zijn dochter over de komende oorlog: bij de een voelt hij zich duif, bij de ander havik. ‘Bali was Al-Qaeda, not Saddam. Nothing you’ve just said justifies invading Iraq.’ Bali staat voor de bomaanslagen van 2002 die 202 doden vroegen en 209 gewonden.

Aaneenschakeling van calamiteiten

McEwan geeft de Amerikaanse positie weer in de persoon van de anesthesist: ‘He’s a man of untroubled certainties, impatient to talk of diplomacy, weapons of mass destruction, inspection teams, proofs of links with Al-Qaeda and so on. Iraq is a rotten state, a natural ally of terrorists, bound to cause mischief at some point and may well be taken out while the US military is feeling perky after Afghanistan. And by taken out, he insists he means liberated and democratised.’ Henry vraagt zich af of Tony Blair zwetend wakker wordt uit vreselijke dromen, of misschien alleen maar wakker ligt. Hij ziet hem op de televisie: ‘…all he sees is certainty, or at worst a straining earnestness.’

De docenten van zijn dochter bestempelen de idee van vooruitgang als ouderwets en belachelijk: het leven is een aaneenschakeling van calamiteiten geworden. ‘It’s their style, their way of being clever.’ Het uitbannen van ziekten of het uitbreiden van het aantal democratieën in de wereld telt niet als vooruitgang. ‘Among the game theorists and radical criminologists, the stock of Thomas Hobbes keeps on rising.’ Hobbes, de Britse filosoof (1588 – 1679) die onderschreef dat de mens voor de andere mens een wolf is (homo homini lupus). Aan het eind van de lange zaterdag sluit Henry zijn raam en kruipt hij tegen zijn slapende echtgenote aan: dat is er nog. De dag is voorbij.

Ian McEwan: Saturday. London 2005

Geef een reactie